Op
12 mei 1841 werd in Suriname het Korps Muzikanten West Indië opgericht.
Omtrent de samenstelling van dit korps is niets bekend. Wel werd enige tijd
later vermeld dat de bezetting bestond uit:
3
pistons
2 trompetten
3 hoorns
2 trombones
2 tenorhoorns |
2
bassen
4 saxofoons (sopraan, alt, tenor en bariton)
1 grote trom
1 kleine trom
1 paar bekkens |
De
kapelmeester had de rang van adjudant-onderofficier.
Het reeds aanwezig zijn van saxofoons en tenorhoorns alsmede de totale
fanfare bezetting, die in overeenstemming is met die van de
hoornblazerskorpsen in het moederland, wettigen de veronderstelling dat deze
bezetting dateert van omstreeks 1855.
In de loop der jaren was deze bezetting maar weinig veranderd. Het was een
fanfare-orkest waar eerst in later tijd 2 tot 5 klarinetten aan werden
toegevoegd.
Tussen 1930 en 1940 bestond het muziekkorps uit 1 sergeant-majoor
stafhoorblazer (kapelmeester), 1 sergeant (onderkapelmeester), 4 korporaals
en 18 infanteristen 1ste klasse of soldaten.
De muzikanten waren voor het grootste gedeelte landskinderen. Slechts enkele
muzikanten werden uit Holland aangetrokken, voornamelijk voor het vervullen
van de functies van kapelmeester en onderkapelmeester.
De werkzaamheden van het muziekkorps in de periode 1903-1940 werden als
volgt omschreven: eenmaal per week exercitie op het Gouvernementsplein te
Paramaribo op maandag van 6.30 tot 8.00 uur, daarna repetitie. Eenmaal per
week op wacht, van maandag op dinsdag. Verder iedere dag repetitie van 7.00
tot 10.30 uur. Iedere zondag en woensdagmiddag om 17.00 uur een concert op
het Gouvernementsplein. Het woensdagmiddag-concert werd later vervangen door
een concert eenmaal per veertien dagen op zondagavond in het park, waar een
muziektent was gebouwd.
Enige jaren vóór 1940 kregen de leden van het muziekkorps naast hun
muzikale training een opleiding tot mitraillist. Met als gevolg dat toen in
1940 de oorlog uitbrak, de muziek werd ingedeeld bij de 12,7
Mitrailleurscompagnie en gedetacheerd werd op de plantage Leonsberg aan de
monding van de Suriname rivier. Het betekende de opheffing van het
muziekkorps en het begin van een muziekloze periode. Een periode overigens
die niet lang zou duren, want al spoedig werd het gemis van een muziekkorps
danig gevoeld én door de troepen én door de bevolking.
Directe aanleiding tot wederoprichting was een incident dat plaats vond in
1942 toen enige officieren beëdigd moesten worden en men zich geplaatst zag
voor het probleem hoe dit te doen zonder muziek. De oplossing dacht men
gevonden te hebben door het laten afdraaien van een oude grammofoonplaat van
het Wilhelmus. De groeven van deze plaat waren echter zó versleten dat de
naald in één groef bleef doordraaien. Na afloop was men dan ook wel
doordrongen van het feit dat voor de Troepenmacht in Suriname een kapel
onmisbaar was.
Adjudant M.H. Rouwenhorst, in 1924 uit Holland gekomen als
klarinettist-onderkapelmeester en van 1930 tot 1940 sergeant-majoor
kapelmeester, als opvolger van Th. W. Smit, oud stafmuzikant te Batavia en
van 1919 tot 1930 kapelmeester, werd belast met het samenstellen van een
nieuwe muziekkorps, bestaande uit vrijwilligers en gerecruteerd uit de
burgerij. Hij slaagde er in, nog in 1942, een orkest te formeren van 28 man
(inclusief de kapelmeester) dat als volgt was samengesteld:
1
adjudant-onderofficier (kapelmeester),
4 sergeanten (waarvan 1 onderkapelmeester),
4 korporaals en
19 infanteristen 1e klasse of soldaat.
De volgende instrumenten worden bespeeld: |
1
solo klarinet
3 1ste klarinetten
2 2de klarinetten
1 3de klarinet
2 pistons
3 trompetten
2 corhoorns |
2
althoorns
2 tenorhoorns
1 hoge bastuba
1 lage bastuba in Es
1 lage bastuba in Bes
2 slagwerk |
De oprichting vond plaats op 17 november
1942.
Dankzij de grote muzikaliteit en ambitie van de Surinamers slaagde
kapelmeester Rouwenhorst er in het nieuwe korps in korte tijd tot een
homogeen en goed klinkend geheel te maken. Voor zijn verdiensten voor het
korps werd adjudant Rouwenhorst niet alleen onderscheiden met de gouden
medaille verbonden aan de Orde van Oranje Nassau, hij werd bovendien
bevorderd tot onderluitenant titulair.
Bij de heroprichting in 1942 was het muziekkorps oorspronkelijk ingedeeld
bij het toenmalige korps Stads- en Landwachten, zonder vast verband voor
de leden en derhalve ook zonder echt op pensioen. Toen in 1948 plannen tot
overgang van het muziekkorps naar de politie reeds in vergevorderd stadium
van voorbereiding waren, was het te danken aan het ingrijpen van
luitenant-kolonel W. Boog, dat deze plannen geen doorgang vonden.
Luitenant-kolonel Boog, die in dat jaar het commando over de troepen in
Suriname overnam, zorgde er tevens voor dat het muziekkorps officieel als
zodanig werd erkend. Als gevolg van de opheffing van het voormalige
Koninklijke Nederlandsch Indische Leger werden in 1950 de troepen in
Suriname bij de Koninklijke Landmacht gevoegd. Sindsdien ressorteert het
Muziekkorps Troepenmacht in Suriname onder de Inspectie der Militaire Muziek
der Koninklijke Landmacht.
De samenstelling van het
orkest is vanaf dat moment:
fluit-piccolo
hobo
Es klarinet
7 Bes klarinetten
alt-saxofoon
tenr-saxofoon
bariton-saxofoon
3 pistons
2 trompetten (2de trompet tevens fagot) |
3
hoorns
2 tenorhoorns
1 hoge bastuba
3 trombones
1 lage bastuba in Es
1 lage bastuba in Bes
pauken
grote trom
kleine trom |
Hoe was het nu met de
werkzaamheden van het muziekkorps vanaf 1942?
Naast de normale militaire diensten als het spelen bij de ontvangst van
autoriteiten, werd reeds spoedig een respectabel aantal concerten geven, in
de jaren 1955 tot 1960 wel ongeveer 8 tot 12 maal per maand. Van deze
concerten moet speciaal genoemd worden het concert eenmaal per veerien dagen
op zondagmiddag op het Oranjeplein, het vroegere Gouvernementsplein. Bij de
aanvang van het concert, om 17.00 uur precies, moest de kapelmeester zich
vanuit de verte melden bij de Gouverneur, die, met een gezelschap op het
balkon van het Gouvernementspaleis gezeten, het concert steeds bijwoonde. Om
17.58 uur moest het concert ten einde zijn. Een hoornblazer blies dan het
signaal 'bij de vlag', waarna om 18.oo uur precies het Surinaamse Volkslied
en het Wilhelmus ten gehore werden gebracht, tijdens het spelen waarvan de
vlag op het fort Zeelandia, eveneens gelegen aan het Oranjeplein, gestreken
werd.
Verder werd geconcentreerd in de Palmentuin en werd wekelijks opgetreden in
hospitalen, leprozerieën, tehuizen voor ouden van dagen en in de
psychiatrische inrichting. Soms werd het orkest dan in drieën gesplitst en
werd in de plaats van het normale repertoire, dat gelijk was aan dat van de
militaire orkesten in Holland, Surinaamse muziek gespeeld.
Na 1960 verminderde het aantal concerten als gevolg van het besluit om voor
de muzikanten weder wachtdiensten in te voeren en de militaire training te
verzwaren.