|


| |
|
De
trom van arbeidsvitaminen
tot
militair ceremonieel.
Wat
heeft in het verleden de trom betekent in het dagelijkse leven niet alleen voor
de burger maar ook voor de militair.
|
|
De
trom en fluit als arbeidsvitaminen.
De trom en fluit verlichtten ook zware arbeid, zoals het binnenhalen van
de oogst en het vervoeren van zware lasten.
Zo is bekend dat op 22 maart 1763 een transport van een grote kerkklok,
die door 300 man werd voortgetrokken, ritmisch begeleid werd door twee
tamboers, gezeten op de klokkenwagen.
De
trom als therapie
Dat ook de trom bij genezing zijn diensten bewees, kan men opmaken uit
het volgende. In het jaar 1518 werden in Strassbourg door vitusdans
aangetaste burgers behandeld door onafgebroken op het ritme van de trom
en de tonen van de pijperfluit te dansen. In de achttiende eeuw moest
men wanneer men door een schorpioen was gestoken, net zolang dansen tot
het gif uit het lichaam was verdwenen. Men danste op bet ritme van de
trom.
De
trom als krijgsinstrument
Zoals eerder gezegd: de trom was van oudsher een krijgsinstrument. Zij
was onontbeerlijk voor het geven van signalen tijdens de gevechten, en
op de vloot vond de gehele geschutsexercitie plaats op tromsignalen.
Verovering van de trommen werd als een bijzondere glorie, verlies als
een vreselijke schande beschouwd.
Herkenbaarheid
van de tamboer
Doordat de tamboer altijd goed herkenbaar moest zijn, werd zijn uniform
fraaier uitgedost dan dat van de soldaten. Zo werden galons aangebracht
op de kraag en mouwen. De zwaluwnesten en klaverbladen werden gebruikt
in de 18e eeuw. Klaverbladen zijn te allen tijde aanduidingen geweest
voor beroepsmuzikanten. De zwaluwnesten werden gegeven aan tamboers,
pijpers, hoorn en klaroenblazers. Men kan zich voorstellen dat de
tamboer goed beveiligd was om niet in handen van de vijand te vallen;
niet vanwege het verlies van zijn trom maar ook vanwege zijn kennis van
de signalen. Niet alleen moest de tamboer die signalen uit het hoofd
kunnen spelen, ook alle soldaten van zijn compagnie moesten de betekenis
ervan kennen.
De vijand kan dus de gevangen genomen tamboer inzetten om verwarring te
stichten. Dit is ook de reden dat het tot 1728 heeft geduurd eer de
signalen in een soort trommeltaal werden genoteerd. Deze taal was
uiteraard zeer geheim. Toch werd er wel zo nu en dan iets genoteerd
zoals in een in 1777 in Berlijn uitgegeven boekje, dat in 1809 in het
Nederlands verscheen onder de titel: Over het tromslaan. Hierin staan
marsen en signalen die een " toonkunstenaar" had opgetekend
(en in muziekschrift genoteerd) uit de mond van een oude
regimentstamboer, die nog voor zijn dood deze zaken aan de liefhebbers
van het tromslaan wilde doorgeven. Iedere compagnie kenden de
karakteristieke slag van zijn eigen tamboer. Men wist aan de manier van
slaan of deze uit de eigen gelederen kwam. De tamboer marcheerde altijd
aan het hoofd van de troep, vlak bij de commandant. Door het geluid van
zijn trom kon men de weg niet kwijt raken. In 1812, tijdens de
meerdaagse veldtocht door Rusland, moest de tamboer de trom onafgebroken
blijven slaan omdat door het marcheren van zoveel soldaten in de droogte
een dermate ondoorzichtige stofwolk was ontstaan dat het geluid van de
trom als oriëntatie moest dienen. Deze
oriëntatie werd dan weer door andere compagnieën overgenomen.
|
|
Rauschers
voorschrift gold niet alleen voor de tamboers en pijpers maar voor de hele
krijsmacht.
|
|
Rauscher
was zoon van een militaire muziekmeester en instrumentenbouwer uit
Pirmasens. Hij trad 1793, toen hij bijna 22 jaar was, te Maastricht als
muzikant in Nederlandse dienst. In 1807 werd hij aangezocht om
kapelmeester bij het te Delft op te richten muziekkorps van het Regiment
Garde Jagers te worden. Tijdens de onderhandelingen hierover werd hij bij
de Koninklijke Kapel geplaatst en kwam zo 1808 in Amsterdam. Daar verliet
hij de krijgsdienst en verbond zich aan de Hollandse Stad-Schouwburg. In
1815 werd hij kapelmeester van het muziekkorps der dienstdoende
schutterij.
In
1804 was hij, op voordracht van generaal J.F. Dumonceau door het
ministerie uitgenodigd eene nieuwe dienst voor de tamboers en pijpers
te vormen. In 1814 werd hem opgedragen het vervaardigen van marsen voor
tamboers en pijpers bij de infanterie, van de signalen voor hoornblazers
bij de bataljons Jagers en van de signalen voor trompetters van de
Kavallerie. Het resultaat van zijn werken werd 1814 bij F.J. Weygand
publiceert.
Composities
Werken voor harmonie- en fanfareorkest
- 1814
Präsentiermarsch der deutschen (Reichs-)Marine (Holländischer
Ehrenmarsch) HM I, 60
- 1814
Prinsenmarsch
- 1834
Eremars der Koninklijke Marine
- Fanfare,
voor koperblazers en slagwerk
- Treurmuzijk,
voor harmonieorkest, op. 68
Marsen
voor pijpers en tamboeren
- 1814
Zes Marsen voor de gezwinde pas, voor tamboeren en pijpers
- Mars
voor de gezwinde pas nr. 1
- Mars voor de gezwinde
pas nr. 2
- Mars voor de gezwinde
pas nr. 3
- Mars voor de gezwinde
pas nr. 4
- Mars voor de gezwinde
pas nr. 5
- Mars voor de gezwinde
pas nr. 6
Referenties
- Zie
ook: Pauline van den Heuvel: Het Kunstbevorderend Genootschap V.W.
1806-1844 "V.W. en de stille leerschool van deugd en goede
zaken": ...en componist Jacob Rauscher, die deel had
uitgemaakt van het hoforkest van Lodewijk Napoleon en een vaste plaats
had in het Amsterdamse schouwburgorkest.
|
Het
is geenszins mijn bedoeling om U met allerlei vaktechnische termen te gaan
vermoeien,doch het lijkt mij zin vol U wat nader
kennis te laten maken met onze wijze van slagtechniek.
Het
zal U verbazen dat het woord systeem bij mij niet over de lippen komt,dit wordt
ook door mij bewust achterwegen gelaten omdat ik mening ben dat elk systeem
beperkingen oplegt. Ik spreek dan ook liever van slagtechniek of stokvoering
welke in de notatie naar voren dient te komen. Aan de techniek zoals deze
vandaag aan de dag door de tamboers en pijpers van het korps mariniers wordt
gehanteerd, gaat een lange traditie vooraf. Was het zo dat eerst de trom
signalen van man op man werden over gebracht, werd er voor dat men gebruik ging
maken van het notenschrift van een
trommeltaal
|
|
|
tamboers en pijpers op voor het standbeeld van "De
marinier" op het Oostplein te Rotterdam
|
|
|
Om
U een indruk ik het over zal hebben,volgt hier in het kort een
overzicht.
|
|
|
1.
|
Het
|
vasthouden
van de stokken.
|
6.
Roffelfiguren links cq, rechts.
|
|
|
2.
|
De
|
slag
met do rechterhand.
|
7.
Accentslagen in de roffel.
|
|
|
3.
|
Do
|
slag
met de linkerhand.
|
8,
De vlamslag links en rechts,
|
|
|
4.
|
De
|
paarsgewijze
slagen.
|
9.
De appelslag.
|
|
|
5.
|
Het
|
opbouwen
van de roffel.
|
10.
De paradidle.
11. Vijfslag
|
|
|
Het
vasthouden van de stokken.
In de linkerhand rust de stok op het tweede lid van derde
vinger,die door de pink wordt gestuurd,wijs en middelvinger rusten met
hun eerste lid op de stok(regelen van de druk) de stok zelf wordt in de
ruimte tussen duim en wijsvinger zo vast gehouden, dat hij niet kan
glijden en de top van de duim ligt op hut tweede lid van de wijsvinger.
De linkerhand blijft half geopend.
|
|
|
|
|
De
rechterhand omvat de stok helemaal echter zo vast, dat de
bewegingen van de onderarm en hand, en niet het slagvel, de enkele
slagen tot zijn recht doen komen.
Wijs en middelvinger zijn de voornaamste vingers,die wegglijden
het moeten voorkomen.
De duim ligt iets op het eerste lid van de wijsvinger,
Met
het eerste lid van de duim, dia zijwaarts van de stok ligt,regelt men
de druk van het slaan, evenzo met do pink. Men moet er op letten de
vingers aan de stok liggen.
Het bovenste eind van de stok steekt circa 2 cm uit de gesloten vuist.
Bij een goede algehele houding zullen de stokken altijd het midden van
het vol bereiken.
|
|
|
|
De
stokvoering
Met do stokvoering bedoelt men de beweging van armen en handen tijdens
het slaan.
In tegenstelling tot de concerttamboer beweegt een tamboer van de
mariniers zijn handen en armen,waarbij de kracht van do slagen uit de
polsen komt.
Aan do stokvoering nemen de schoudergewrichten, de bovenarm de elleboog
en de benedenarm met hand meer of minder deel.
Alle bewegingen moeten vloeiend "niet afgehakt" en met
ontspannen spieren worden uitgevoerd.
Men moet er op letten dat de armen zo mogelijk ongedwongen en los in het
schoudergewricht hangen en dat elke verkramping moet worden vermeden.
Het slaan zelf moet niet met spierkracht, doch met de kracht van de
bewegingen geschieden, waarmee de minste vermoeidheid bij het slaan
wordt verkregen.
Alle overmatige kramptoestanden, enz, moeten worden vermeden.
Do bewegingen moeten altijd in de geluidssterkte van het slaan worden
aangepast en zij moeten sierlijk zijn.
|
|
|
De
slag met de rechterhand
Do rechterstok bevind zich in de uit uitgangspositie, met de knop rechtstandig
omhoog,de onderarm is hierbij nagenoeg horizontaal terwijl de
bovenarm verticaal langs het lichaam is met de elleboog tegen de zij.
Do duim wijst naar voren, terwijl do hand in het verlengde van de
onderarm ligt.
De onderarm wordt nu naar de trom gebracht,waarbij gelijktijdig de pols
naar linker wordt gedraaid, zodanig dat do knop van de stok het midden
van het vel raakt,hierna brengt man de rechterstok weer in
uitgangspositie. In dit voorbeeld s dit tevens de uitgangshouding van de
vlamslag.
|
|
De
slag met linkerhand
De linkerstok bevind zich in uitgangspositie, met de knop
diagonaal wijzend naar rechts,de onderarm is hierbij enigszins schuin
naar boven gericht,waarbij de linkerhandpalm naar het lichaam is
gekeerd,_de vingers wijzen hierbij schuinsrechts naar boven, de bovenarm
hangt verticaal langs het lichaam terwijl do elleboog tegen de zij
aanligt. De onderarm wordt nu voor het lichaam..langs naar de trom
gebracht, waarbij de pols gelijktijdig naar rechts wordt gedraaid,
zodanig dat de knop van de stok het vel raakt, hierna brengt men de
linkerstok weer in uitgangspositie.
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|