De ontwikkeling van onze huidige
 amateur orkesten

De huidige blaasmuziekkorpsen, zoals een harmonie en een fanfare, zijn ontstaan naar het voorbeeld van de militaire kapellen. In het tijdperk van de Renaissance komt voor het eerst het verband tussen de bij het leger gebruikte muziekinstrumenten en bepaalde legeronderdelen voor. Zo waren de trommen en de pijperfluiten (=houten dwarsfluiten zonder kleppen) bij het voetvolk (infanterie) en de trompetten en de pauken bij de bereden wapens (cavalerie) in gebruik.

Lodewijk XIV, de zonnekoning van Frankrijk (1639-1715) had grote belangstelling voor de kunst en de krijgskunde. In de militaire muziek werden deze twee interessen verenigd. De hofcomponist Jean-Baptiste Lully maakte in 1670 de eerste reglementering voor de militaire muziek. Uit deze tijd stamt ook de eerste marsmuziek voor blaasorkest. De 19e eeuw werd een bloeipeiode voor de blaasmuziek, vooral in Frankrijk. De oorspronkelijke functionele betekenis van de militaire muziek werd door de veranderende militaire omstandigheden omgebogen: op de slagvelden was muziek overbodig geworden want nieuwe wapens overstemden de trompetsignalen en nieuwe transportmiddelen vervingen de lange marsen van de infanterie op tromgeroffel. De Franse keizer Napoleon vond een grote hofhouding en veel militaire muziek statusverhogend. Het blaasorkest werd daarom gebruikt voor allerlei manifestaties en plechtigheden in de open lucht. Napoleon zag in de militaire muziek ook een mogelijkheid om het volk gunstig te stemmen en stond erop dat elk garnizoen over een muziekkapel beschikte die de burgers geregeld op publieke concerten vergastte Ook verleenden de muziekkapellen hun medewerking aan initiatieven van gemeentelijke overheden (inhuldigingplechtigheden, kermisfeesten en optochten) en muziekverenigingen.

De instrumenten werden sterk verbeterd en er werden nieuwe instrumenten ontworpen. Heinrich Stölz vond de ventielen uit i.p.v. kleppen. Adolphe Sax ontwierp een reeks saxofoons en saxhoorns. Het gebruik van slagwerk: grote trommen, bekkens, tamboerijnen, triangels en schellebomen, werd overgenomen van de Turkse muziekkorpsen: de Janitsarenorkesten. Behalve uit slagwerk bestond de instrumentatie van deze orkesten uit hobo's en fluiten. Uit het infanteriemuziekkorps (fluit, piccolo, klarinetten, 2 fagotten, 2 trompetten, 2 waldhoorns, 3 trombones, 3 serpenten, grote trom, kleine trom, bekkens) ontstond de harmonie, uit het cavaleriemuziekkorps (hoorns, trompetten, waldhoorns, tuba's en trombones) de fanfare. Het harmonieorkest zoals we dat nu kennen, dateert van omstreeks 1870.

Naar model van de militaire orkesten ontstonden aan het eind van de 18e eeuw de "burgermuziekverenigingen". Burgermuziekkorpsen ontstonden bij schutterijen, societeiten en kerken. Dikwijls speelden legermuzikanten mee die als bijverdienste muzieklessen gaven. Legerkapelmeesters fungeerden vaak als dirigenten. Het repertoire in de 19e eeuw werd gedomineerd door bewerkingen van ouvertures en suites van populaire opera's, operettes en symfonieën. De blaasorkesten waren de 'symfonieorkesten van het gewone volk'. Na de 1ste wereldoorlog (1914-1918) ontstonden bedrijfsorkesten en arbeidersmuziekverenigingen.

Na de 2de wereldoorlog (1940-1945) verandert de functie van de muziekkorpsen geleidelijk. Het concerteren verplaatst zich langzaam maar zeker van openlucht- en straatoptredens naar de concertzaal. Straatoptredens worden steeds meer overgelaten aan de drumfanfares, drumbands en showkorpsen. Ook wordt de gezelligheid van een vereniging minder belangrijk, de muzikale ambities leiden tot een breder repertoire en een hoger artistiek niveau. Er komen steeds meer componisten die eigentijdse originele muziek voor harmonie- en fanfareorkesten schrijven. In de laatste decennia van de 20ste eeuw bereiken de toporkesten een ongekend hoog niveau in de ontwikkeling naar 'symfonisch blaasorkest', met een belangrijke rol voor de officiële bondsconcoursen en de media (KRO). Bovendien komen er speciale opleidingen voor hafabra dirigenten.

Bronnen: Een muziekgeschiedenis der Nederlanden onder hoofdred. van Louis Peter Grijp. Amsterdam University Press, 2001. ISBN 90-5356-488-8. Van pijperfluit tot symfonisch blaasorkest / Jan van Ossenbruggen. Molenaar 1997. ISBN 90-70628-